ZALIGE JULIÁN POZO Y RUIZ DE SAMANIEGO (1903-1936)

 

Julián Pozo Y Ruiz de Samaniego werd geboren in Payueta in het Spaanse Baskenland. Zijn vader stierf toen hij nog kind was; zijn moeder was een vrome vrouw. Al op tienjarige leeftijd trad Julián mede door toedoen van zijn heeroom toe tot de opleiding van de redemptoristen van El Espino. Hij legde zijn geloften af in 1920 en ging vervolgens naar het seminarie in Astorga.  Vijf jaar later werd hij priester gewijd. In 1926 vertrok hij naar het klooster in Granada.

Hij leed toen al enkele jaren aan tuberculose, een ziekte die hij met gelatenheid aanvaardde. Het maakte hem ongeschikt om missionaris te worden, maar verhinderde hem niet om met toewijding pastoraal werk te verrichten. In 2008 werd bij de opgraving van zijn stoffelijke resten ook de reumatische ziekte van Betcherew geconstateerd.

In 1928 werd hij vanwege zijn zwakke gezondheid overgeplaatst naar de apostolische gemeenschap van Cuenca. In het studiejaar 1933-1934 was hij spirituaal op het juvenaat van El Espino, maar vanwege de verergering van zijn ziekte moest hij terug naar Cuenca.

In de zomer van 1936 werden in de uitgebroken Spaanse Burgeroorlog alle priesters vervolgd. Na zijn confraters Ciriaco Olarte Y Pérez Mendiguren en Miguel Gońi Ariz werd hij op 9 augustus gearresteerd door de milities tijdens het bidden van de rozenkrans. Langs de weg van Cuenca naar Tragacete werd hij neergeschoten. Tegen zijn belagers zou hij nog geroepen hebben: “Leve Christus Koning!”.

Pater Julián Pozo Y Ruiz de Samantego werd in 2013 zalig verklaard.